
‘Darling don’t give me shit ’cause I know that you’re full of it’
…Zingt Kate Nash in de Shit Song. En ze drinkt de fles wijn lekker in haar eentje op. Weg gezelligheid. Is het toeval dat een meisje dat over een jongen zingt? Wat is dat toch?
Of het nou een mannending is of niet, bij mij gaat het als volgt. Ik heb het op de een of andere manier niet naar m’n zin. Dingen zitten tegen, ik krijg m’n zin niet, of het gaat het anders dan ik hoopte. Ik kan niet doen wat ik wil. Of ik wil niet wat ik kan. Maakt niet uit. Ik ben gestresst of ik verveel me. Dat speelt zich in mij af. Vaak niet helemaal bewust. Of erger nog, helemaal niet bewust.
En dan gebeurt het. Ik word vervelend. Strontvervelend. Tegen de mensen om me heen. Die daar niet om vragen, helemaal niets aan kunnen doen, geen bal mee te maken hebben. Maar ik vind van wel. Ik ben in mijn categorie dan ook kampioen anderen vervelen en lastig vallen. Erger nog, anderen de schuld geven, van mijn ongemak en mijn ongeluk. Want het ligt niet aan mij!
Misschien kan ik het gewoon niet verdragen dat ik me niet gelukkig voel omdat ik ergens wel weet dat er maar eentje is die daar wat aan kan doen… Ik zelf! Misschien kan ik niet verdragen dat ik me niet bij machte voel om te doen wat ik zou moeten doen om me gelukkig te voelen. Een ding begint me te dagen: ik ga shit uitdelen als ik me vervelend voel. Mijn eigen shit…
Alsof iemand gevraagd heeft om mijn shit! Nee, die krijg je erbij, gratis en voor niets! Vaak vind ik dan ook nog dat ik alle reden heb om boos of vervelend te zijn. Want die ander daar is toch heel wat op aan te merken. Die doet het niet goed, die deugt niet. Toch gek dat ik meer shit zie van een ander als ik me zelf niet lekker en op m’n gemak voel.
Het begint me wel op te vallen dat die shit van een ander wel erg veel lijkt op mijn eigen shit. Da’s toevallig! Als ik zelf vol shit zit zie ik diezelfde shit overal om me heen. Ik zie boze gezichten, vervelende opmerkingen, naar gedrag. Ik denk de shit van een ander te zien maar kijk ondertussen naar mijn eigen shit. Erger nog, ik strooi mijn eigen shit rond. En dat verwijt ik die ander.
Het ergste is, dat doe ik natuurlijk niet met mensen die ik niet goed ken. Of met m’n klanten. Nee, echte shit bewaar ik voor de mensen het dichtst om me heen. De mensen die het meest van me houden. Waarbij ik me op m’n gemak voel, vertrouwd. Die krijgen de volle laag. Die zullen het weten, die hebben het gedaan. Vreemde manier om je liefde uit te drukken…
Dan mag je hopen dat je een partner, kinderen, vrienden hebt die je doorhebben. Die bukken als jij met stront gooit. Die het niet op zichzelf betrekken. Die er niet instinken. Die weten dat het jouw shit is. Waarvan je maar hoopt dat ze je dan toch nog darling blijven noemen…
‘Darling don’t give me shit ’cause I know that you’re full of it’

Kate Nash
Made Of Bricks
(2007, Fiction)

Een collega-trainer zegt tegen me, na een training die we samen hebben gegeven: ‘Heb je in de gaten dat je een paar keer de boel overnam? Dat ik er niet meer aan te pas kwam? Dat je het in je eentje aan het doen was?’ Ik schrik: Ai! Au! En ondertussen denk ik: Nee, natuurlijk heb ik dat niet in de gaten gehad! Anders had ik het toch niet gedaan?!
M’n gebruikelijke reactie is om vervolgens te ontkennen: Helemaal niet! Hoezo?! Want ik mag niets fout van doen, van mezelf. Ik moet het perfect doen, van mezelf. Ik stel huizenhoge eisen aan mezelf. En als iemand me dan attent maakt op iets dat niet goed ging zegt zo iemand in mijn ogen (en oren!) al gauw: Fout! Mis! Niet goed!
Wat scheelt is dat deze vrouw het zonder een spoor van verwijt weet te zeggen. Maar wat vooral scheelt is dat ik geen nauwe relatie met haar heb. Want daar begin ik achter te komen: hoe dichter iemand bij me staat, des te lastiger is het voor die ander om mij iets duidelijk te maken. (Inderdaad, je zult maar met mij getrouwd zijn!)
Nog lastiger is iets aan mezelf duidelijk maken. Ik kan en wil niet of nauwelijks horen dat ik iets niet goed doe of gedaan heb. Omdat ik zo ontzettend m’n best doe om het zo ontzettend goed te doen. Me ook zo snel schuldig voel als ik iets niet goed doe. Bang ben om een fout te maken. Want ik mag geen fouten maken.
En toch, ik heb de tegenwoordigheid van geest om niet direct iets terug te kaatsen (Hoezo?!) maar m’n collega te vragen: Help me even, wanneer gebeurde het? Kun je het voor me terughalen? Gelukkig is ze zo vriendelijk het geduldig uit te leggen, toe te lichten, zelfs haar eigen rol en plek erin toe te lichten. En ook gelukkig, ik kan het horen! M’n gevoel van schuld en schaamte even opzij zetten.
Daardoor begrijp ik ineens iets. Wat ik doe (overnemen, in m’n eentje verder) precies is waar ik last van heb bij een andere collega-trainer! Die vind ik vaak overheersend, dominant, ik kom er niet meer aan te pas! Doe het lekker in je eentje, denk ik dan. En nu blijkt dat ik het zelf doe, precies zo! Ik loop te hoop tegen gedrag dat ik zelf vertoon! Kèk naah je ègûh..!, zeggen we dan in Den Haag.
Ineens begrijp ik ook wanneer ik het doe: als ik me zorgen maak, in de stress schiet; het gevoel heb dat er nu iets moet gebeuren en wel ogenblikkelijk. M’n blik vernauwt, geen contact meer, de tunnel in. Dan ga ik het in m’n eentje doen. En dan denk ik ook nog dat het maar goed is dat ik het gedaan heb. Want anders had toch niemand het gedaan?! En dat is nog maar de vraag…

Ik kan behoorlijk nurks doen. En nogal moeilijk. Zeker ’s avonds, en vooral in het weekend. Gewoon moe, even genoeg aan m’n kop gehad. Genoeg aandacht besteed aan allerlei mensen. Natuurlijk, ik vind dat leuk, erg leuk zelfs. Het is per slot m’n werk. Als mensen me niet zouden boeien hield ik het niet vol. Dan had ik er geen plezier in. Maar soms is het op. ‘Nu even niet!’ En toch is dat ook weer niet wat ik wil. Want naar m’n gevoel klopt het niet. Door de week alle aandacht en dan in het weekend mezelf terugtrekken. Voor m’n balans vast okee, en toch niet bevredigend. Want eigenlijk wil ik er in het weekend ook zijn, gewoon voor en met de mensen het dichtst om me heen. Omdat het me domweg gelukkiger maakt.
Na de zomervakantie had ik een voornemen: me VERBINDEN. Dat was niet de eerste keer. Duidelijk een geval van een Grote Opgave. De mensen die het meest van me houden lachen me er al jaren hartelijk om uit: altijd weer diezelfde voornemens, wanneer voer je ze nou eens uit? Verbinden betekent voor mij ook: meedoen, aansluiten, opgaan. Heel lastig voor een individualist als ik. Als vroeger iedereen op de studentenvereniging dezelfde clubsweater aan had droeg ik hem binnenstebuiten Ik wilde er wel bij horen maar toch ook weer niet. Vooral niet zijn als alle anderen… waar ik toch wel weer mee samen wil zijn. Hoe onmogelijk kun je zijn - voor jezelf, en voor anderen)? En hoe alleen kun je je daar door voelen…
Met veertien collega-trainers had ik net twee dagen scholing achter de rug. In een voormalig klooster, stil geworden. Leuke en ook minder leuke kanten van mezelf meegemaakt. Er weer van doordrongen dat er nog heel wat werk aan de winkel is. Werk van binnen, in mijn eigen winkel. M’n collega’s vroegen of ik niet zo ‘tegen’ wil zijn, en zeker niet ‘tegen om het tegen’. Erachter gekomen dat ‘tegen’ zijn heel onvrij is. (Dat schijnt iedereen te weten, behalve ik). Terwijl ik zo graag vrij wil zijn. Dan, na twee dagen met veertien mensen diep gaan, vind ik thuis een briefje onder de ruitenwisser: Zaterdag Straatfeest. Ook dat nog. Nog meer mensen om me heen. Praten met mensen, of ik dat nog niet genoeg doe! Gezellig doen!
Behalve het vriendelijk verzoek om mee te werken aan het autovrij maken van de straat lees ik in de gauwigheid iets over een Taartenbakwedstrijd. Tot mijn eigen verbazing blijft mijn oog daarop hangen. Goh, wat leuk… Da’s jaren geleden, dat ik een taart gebakken heb. Dat deed ik toen de kinderen nog klein waren. Boterkoek, appeltaart, chocoladetaart… Als ik nou eens meedoe? Een competetief stemmetje wil gelijk al winnen. En een professioneel stemmetje herinnert me aan m’n thema ‘verbinden’. Ik moet onwillekeurig denken aan een heerlijke taart die ik een paar maanden eerder geproefd heb op een afscheidsavond met alle kinderen en ouders uit groep acht (ook allemaal mensen!). Ik heb nog om het recept gevraagd, dat moet ik ergens in de mail hebben. En een lang genegeerd, gezellig en gemakkelijk stemmetje zegt: Doe nou gewoon eens mee, bak een taart man… doe niet zo moeilijk!
De volgende dag een kilo dadels gekocht. En een zak gemalen kokos. Dan kom je nog eens ergens: bij de Turk, de Antilliaan. De dadels zelf ontpit (met m’n handen werken, wat een rust!). De kinderen kijken en doen mee, net als vroeger. Deze taart hoeft niet in de oven, gaat zo de koelkast in. Da’s mooi, kan ik nog even naar de stad. Terwijl ik loop te dromen in de boekwinkel belt mijn vrouw: Ze zijn de taarten aan het jureren! Hoe dom kun je zijn: een taart maken en die dan vergeten te brengen waar ie hoort: op het straatfeest. Op de fiets gesprongen om nog net op tijd mijn taart te zien proeven door een heuse, stralende kok met een glimmend hoofd en grote lieve, blauwe ogen. (Want mijn vrouw had de taart inmiddels naar buiten gedragen… Hoe afhankelijk kun je zijn van de goede wil van je omgeving?)
Twee uur later. Ik heb gewoon gezellig gedaan. Beter gezegd, gewoon meegedaan. Twee cadeautjes gekregen: op m’n lazer gekregen van een buurman omdat ik steeds door hem heen praatte (Ik zou hem wel eens even vertellen hoe hij de bijzonder complexe politieke en menselijke problemen op zijn werk op moest lossen, terwijl dat het laatste was waar hij om vroeg, hij wilde er gewoon over vertellen - ik begin te begrijpen waarom ik zo moe word van gewoon gezellig doen) en door een andere buurman in drie compacte zinnen uitgelegd gekregen wat volgens hem mijn (nauwelijks bewuste) rol is bij de lol die onze kinderen hebben met de muziek die ze maken (Er is hoop! Ik doe veel domme dingen maar het is niet alleen maar ellende…).
Even uit de drukte buiten naar binnen gegaan voor een kop koffie. Weer gered door mijn vrouw die naar buiten kijkt en roept: De prijsuitreiking is begonnen! We rennen naar buiten waar het juryrapport wordt voorgelezen. Ik hoor de jury niet voorlezen wat de kok volgens mij over mijn inzending gezegd heeft, dus (!) dat roep ik er zelf maar tussendoor. Gène bij mijn vrouw en kinderen om me heen. (’Daar heb je papa weer’). Ik let niet goed op, want ik ben boos over de vermeende verminking van de gevoelige tekst van de kok, in mijn ogen natuurlijk inmiddels een topkok…
Blijk ik ondertussen met mijn taart gewonnen te hebben! Ik hoor het niet goed (Luisteren! is al jaren mijn verbeterpunt), denk dat ze onderaan begonnen zijn (Ik denk uberhaupt teveel…). Maar de dadeltaart is de winnaar, en ik krijg wisselbeker! Het doorslaggenede superlatief over de taart blijkt bewaard voor bij de uitreiking van de prijs: de winnende dadeltaart heeft niet alleen volop ’smek’ (een volle ronde rijke smaak in koksjargon), het is een ware smaakexplosie! Dat had ik dus niet zelf hoeven te roepen… Gewoon geduldig wachten, erop vertrouwen dat alles goed komt. Dat het gaat zoals het gaat en dat iedereen de taart heerlijk vindt, of niet. En dat je dan zomaar de wedstrijd kunt winnen. Hoe zenuwachtig kun je zijn? Het was weer een leerzame middag… En de taart ging schoon op.
Hier is het winnende recept:
Dadeltaart
1000 gram ontpitte dadels in stukjes
500 gram gezoute roomboter
250 gram rietsuiker
1 grote rol biscuit in stukjes gebroken
2 geklopte eieren
kokos
Boter in braadpan zachtjes laten smelten (pas op, niet bruin laten worden), suiker erbij en blijven roeren tot het geheel goed warm is en de suiker gesmolten. Geklutste eieren er bij en blijven roeren tot het doorgekookt is (het wordt puddingachtig). Dan de stukjes dadel erdoor roeren. Dit geheel een minuut laten koken, ondertussen blijven roeren (daar krijg je die toffeesmaak van, het caramelliseert). De biscuit erdoorheen scheppen tot de biscuit lekker nat is. Ondertussen veel proeven en je vingers erbij aflikken. Alles in de taartvorm (doorsnede 24 cm, kleiner kan ook) doen en gladstrijken. Kokos erover strooien en niks bakken: de koelkast in. Minimaal anderhalf uur laten afkoelen. Voor daarna: Eet smakelijk!
Het originele recept vind je bij Bagels&Beans.

De belangrijkste voorwaarde voor geluk is dat je wilt zijn wat je bent, zegt Desiderius Erasmus in Lof der Zotheid. Tenminste, dat laat hij Dwaasheid zeggen , die hij sprekend opvoert en een pronkrede laat houden (‘De Dwaasheid gekroond’). De Lof der Zotheid begint zo:
De mensen mogen allemaal over mij zeggen wat ze willen – ik weet namelijk best hoe slecht Dwaasheid bekend staat, zelfs bij de grootste dwazen –, toch ben ík het en ik alleen die de macht bezit goden en mensen vrolijk te maken, en dat wordt alleen al afdoende bewezen doordat, zodra ik voor deze enorme menigte naar voren kwam om mijn rede te houden, op slag ieders gezicht opklaarde in haast ongekende, uitzonderlijke vrolijkheid, doordat u dadelijk de rimpels uit uw voorhoofd hebt gestreken, doordat u mij met zo’n blije, gulle lach hebt toegjuicht dat het wel lijkt of heel het toegestroomde publiek dat ik hier zie totaal beneveld is door de nectar van de homerische goden gemengd met nepenthe, terwijl u er eerst zo verdrietig en gekweld bij zat alsof u regelrecht uit het hol van Trophonius kwam. (…)
In 67 korte hoofdstukken neemt Dwaasheid de lezer mee in zijn kijk op het leven, waarin hij meer en meer alles en iedereen op de hak neemt. Dit is hoofdstuk 22, waarin De belangrijkste voorwaarde voor geluk is dat je wilt zijn wat je bent voorkomt:
Vertel eens, kun je van een ander houden als je een hekel hebt aan jezelf? In harmonie zijn met een ander als je dat niet met jezelf bent? Iemand genot geven als je jezelf alleen pijn en verdriet bezorgt? Ik neem niet aan dat iemand hier ja op zegt, of hij moet nog dwazer dan dwaasheid zijn. Welnu, niemand, uitgezonderd ikzelf dan, kan zijn medemens luchten, sterker nog, ieder mens vindt dat hij zelf stinkt, ieder mens vindt wat hij heeft waardeloos, ieder mens haat zichzelf. Want moeder natuur, die in heel wat gevallen eerder stiefmoeder is, heeft in de harten van de mensen, en vooral de meer verstandige, een kwaad gezaaid waardoor ze ontevreden zijn met hun eigen lot en dat van een ander bewonderen. Zo bederven en vervliegen alle goede dingen van het leven, alles wat smaakvol en mooi is. Want wat heb je aan schoonheid, het grootste geschenk van de onsterfelijke goden, als die verpest wordt door een verzuurde houding? Wat heb je aan jeugd als die beschimmelt door oudachtige somberheid? Kortom, hoe moet je, wat je ook doet in je leven, gepast omgaan met jezelf en anderen (het gaat er namelijk niet alleen in de kunst, maar bij alles wat je doet in het leven, om dat je gepast handelt) zonder dat Philautia hier, Eigenliefde, je ter zijde staat, die met goed recht mijn zuster zou kunnen zijn, zo doortastend springt ze overal voor mij in. Want wat is er zo dwaas als tevreden zijn over jezelf? Of jezelf bewonderen? Hoe kun je daarentegen iets aardigs, iets vriendelijks, iets wat gepast is doen als je zelf niet tevreden bent over jezelf? Laat die kruiderij uit het leven weg en onmiddellijk gaat de redenaar met presentatie en al vervelen, zal de musicus met ritme en al op niemand indruk maken, zal de acteur met al zijn gebaren uitgefloten worden, zal de dichter met Muzen en al uitgelachen worden, zal de schilder met al zijn techniek geen markt vinden, zal de arts met al zijn medicijnen honger lijden. En uiteindelijk word je dan van een Nireus een Thersites, van een Phaon een Nestor, van godin van de wijsheid het achtereind van een varken, van welbespraakt stom, van kosmopolitisch boer. Zo broodnodig is het dus dat de mensen ook zichzelf kietelen en zich eerst met een klein applausje bij zichzelf aanprijzen voordat ze bij anderen aangeprezen kunnen worden.
Dus het gaat hierom: de belangrijkste voorwaarde voor geluk is dat je wilt zijn wat je bent. En daar brengt mijn Eigenliefde je nou via de kortste weg heen, zodat niemand ontevreden is over zijn eigen uiterlijk, niemand over zijn eigen innerlijk, niemand over zijn afkomst, niemand over zijn positie, niemand over zijn opleiding, niemand over zijn vaderland, zodat geen IJslander met een Italiaan zou willen ruilen, geen Bulgaar met een Athener, geen Rus met de Eilanden der Gelukzaligen. En wat heeft de natuur het toch buitengewoon goed met ons voor, dat ze bij zoveel verschillen alles in balans brengt! Waar ze een beetje minder gul is met haar gaven voegt ze een ietsje meer Eigenliefde toe – al druk ik dat nu wel weer dwaas uit, want die is nu juist de grootste gave.
Ik mag hier nog wel aan toevoegen dat er geen groots werk verricht wordt waar ik niet de aanzet toe geef, dat er geen bijzondere techniek ontdekt is zonder mijn leiding.
Hoe kom je erbij? Hoe verzin je het! De Nederlander Desiderius Erasmus schreef de Lof der Zotheid in het begin van de zestiende eeuw (inderdaad, vijfhonderd jaar geleden!) voor zijn Engelse vriend Thomas More. Vertaler Harm-Jan van Dam beschrijft het ontstaan:
Tijdens zijn tocht over de Alpen zit Erasmus wat te mijmeren op zijn paard. Hij denkt aan de vrienden in Engeland en verheugt zich op het weerzien, vooral met Thomas More. ‘More’ klinkt in het hoofd van de volleerde graecus Erasmus, ‘More, Moria’. Een rare combinatie, want het Griekse moria betekent ‘zotheid, dwaasheid’ en More is allesbehalve dwaas. Maar juist deze paradox trekt Erasmus aan en in zijn hoofd rijpt het plan voor een lofrede op de dwaasheid, even paradoxaal als de woordcombinatie More-moria of als de Lofrede op de vlieg van hun favoriete auteur Lucianus.’ (In: Lof der Zotheid, Atheneum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 2005)
Moeilijke woorden:
nepenthe – Magisch kruid dat alle zorgen verdrijft
In het hol van Trophonius: bevond zich een orakel waar je zulke verschrikkelijke dingen hoorde dat je nooit meer lachte
… van een Nireus een Thersites: Van de mooiste Griekse krijger, de lelijkste
… van een Phaon een Nestor: Van jong en mooi, oud en wijs (NB - Hoewel Erasmus Nestor hier niet vleiend lijkt te bedoelen)
… de Eilanden der Gelukzaligen: Thomas More beschrijft deze denkbeeldige eilanden in zijn Utopia.