
Eind jaren negentig. De Millenium-opwinding hangt in de lucht. En ik bevind me tien kilometer boven de Atlantische Oceaan. Met collega’s ben ik onderweg naar een beurs in Chicago. We vliegen Business Class. Want het IT-bedrijf waar ik werk is zo groot en zo rijk dat op intercontinentale vluchten duur vliegen officieel beleid is. Anders zit je zo opgepropt tussen de toeristen en kom je niet ontspannen aan. Vind ik ook. Want ik ben alweer een hele meneer.
Naast mij zit iemand die merkbaar een zeer ervaren zakenreiziger is. Hij weet precies waar alles te vinden is en hoe je je plek helemaal comfortabel in kunt richten. Hij is nog wat aan het bellen met mensen op de zaak en hij klinkt me als de baas. Als hij uitgeregeld en geïnstalleerd is raken we aan de praat. Hij vertelt dat hij in de IT werkt. Hij heeft ook een broer, Paul. Langzaam begint me iets te dagen. Twee broers, in de automatisering. Ik zit naast Jan Baan.
Voor de jonge lezers: Jan en Paul Baan zijn de oprichters van Baan Company. In de jaren negentig hebben ze dit Veluwse bedrijf in een mum van tijd ongelofelijk groot gemaakt. In een streng gereformeerde omgeving stampten ze een sofware imperium uit de grond. Zesduizend werknemers, beurswaarde twintig miljard. Ze concurreerden met hun software met de grootste internationale spelers. Nog nooit was een Nederlands bedrijf zo snel zo groot gegroeid.
Ze waren een nationale trots en een voorbeeld voor velen. Inderdaad, waren. Want het ging fout. En niet een beetje. De beurskoers raakte in een vrije val. De waarde van het bedrijf verdampte binnen de kortste keren. Jan Baan was het ene moment Man van het Jaar, het volgende moest hij vertrekken. Oorzaak: ‘Problemen met de boekhouding en onduidelijke relaties tussen het bedrijf en de privé-bv’s van de broers’. Weg twintig miljard. En heel veel boze aandeelhouders.
‘Maar dan bent u Jan Baan?!’ Het gesprek krijgt een andere wending. We hebben het over succes, en over trots. Over hoogmoed, die voor de val komt. Want we hebben een vergelijkbare ervaring. Ik had twee jaar daarvoor tien maanden geen werk en geen inkomen gehad, hij heeft geen bedrijf meer. Allebei diep gevallen. Allebei de indruk dat het niet binnen onze macht lag. Allebei het gevoel dat het pas ophield toen we opgaven. Een duur lesje in nederigheid.
Als gereformeerde jongens-onder-elkaar komen we op het bijbelse verhaal van Mozes. Het volk Israël wil weg uit Egypte waar ze door de farao worden gehouden als slaven. Dan verschijnt Mozes in het paleis met een boodschap van God: ‘Laat mijn volk gaan’. Maar daar is de farao natuurlijk niet van gediend. Dat laat hij zich niet vertellen door een stotterende vluchteling die niet zonder z’n broer durft langs te komen. Hoezo God? Wiens God? Hijzelf, de farao is God!
Tien plagen volgen. Het Nijlwater bederft en verandert in bloed, zodat er geen drinkwater meer is, het land raakt bedekt onder de kikkers, er komen muggen en steekvliegen, de pest doodt al het vee, noodweer verwoest de oogst, daar overheen komt nog een sprinkhanenplaag, er breekt een vreselijke huidziekte uit die iedereen gek maakt van de jeuk en dan volgen nog drie dagen duisternis. Na negen plagen is de farao nog steeds niet van plan zijn slaven te laten gaan. Soms belooft hij het, maar dan bedenkt hij zich weer.
De farao is een die hard. Hij wil niet buigen, voor niets en voor niemand. Hij is tenslotte farao. Hij is boven alles en iedereen verheven. Dan volgt de laatste plaag Alle eerstgeborenen, de oudste kinderen, sterven in een nacht. Ook de zoon van de farao, zijn troonopvolger. Dan geeft hij het eindelijk op. Hij buigt. Hij geeft zich over. ‘Gaan jullie alsjeblieft weg!’ Hoog in de lucht zijn Jan Baan en ik het er roerend over eens dat diep vallen een bijzonder louterende ervaring kan zijn.
‘Op mijn positie krijg je een stukje trots. Dat is onnodig.’
Jan Baan, mede-oprichter Baan Company
(NRC Handelsblad, 31 oktober 1998)

Voor M en ik naar Egypte vertrokken kregen we van een ervaren Egypteganger de volgende tip: ‘Dikke Egyptenaren kun je meestal wel vertrouwen, maar magere daar moet je mee oppassen…’. Dat paste niet helemaal in ons links-progressief politiek-correcte wereldbeeld. Hoezo, het vertrouwen van iemand laten afhangen van diens omvang en gewicht? Van zijn uiterlijk? Alle mensen zijn toch gelijk? Dat is toch discriminatie? Tot je in Egypte komt. Het klopte. Het was waar. Dikke mensen hoefden over het algemeen niet zoveel van ons. Ze waren vaak behulpzaam. Zonder bijbedoeling. Uit zichzelf. Wat ze zeiden klopte meestal wel. Ze hadden ons niet nodig, waren niet uit op ons geld. Magere mensen vaak wel. Die waren gewoon arm. Heel arm zelfs. Bij ons viel wat te halen.
Neem het ze eens kwalijk. Je zult maar zo arm zijn. En geen idee hebben hoe je daar uit kunt komen. Dan is een toerist belazeren een snelle uitweg. Of boos doen tegen een westerling heel bevredigend. Hoef je even niet aan te denken aan je eigen uitzichtloosheid. En kun je een ander de schuld geven van jouw ellende. Alsof die er iets aan kan doen. En als die ander er al iets aan zou kunnen doen dan heeft hij daar in ieder geval weinig meer zin in als hij er eerst de schuld van krijgt. En ik realiseer me nu: zo doe ik het zelf ook. Gewoon hier thuis. Dat gaat als volgt. Er zit me iets dwars… en het eerste wat ik doe is bedenken wiens schuld dat is. Iemand moet toch de schuld krijgen! Zolang het maar niet aan mij ligt! Ik kreeg een keer een slabbetje met Sinterklaas. ‘Wat er ook gebeurt… ik heb het niet gedaan!’ stond erop. Een gedicht was niet meer nodig.
In Alexandrië treffen we een student medicijnen. We raken aan de praat. Dat kost geen moeite in Egypte. Over Egypte, over het Westen, over armoe, over rijkdom. Hij is niet veel jonger dan wij. Zo te zien en te merken uit een welgestelde familie. Goedgebekt (in het Engels) en goedlachs (zoals heel veel andere Egyptenaren). ‘Weet je’, zegt hij schaterend, ‘jullie zijn rijk, maar wij zijn gelukkig’. Zo, die zit. In één keer is het duidelijk. Wij zijn bezig met materie, daar hoeven zij niet mee bezig te zijn. Wij zijn bezig met alsmaar werken, alsmaar harder. Om een ticket naar Egypte te kunnen betalen. Hij is er al. In een prachtig land, tussen aardige mensen, altijd lekker weer. ‘Gedist’, zouden mijn kinderen zeggen.
De Nijldelta is vlak. Ook rond Luxor. Rivier, slootjes, rietland, bouwland: net Nederland, maar dan met palmen. Fietsen dus. Kan het meer ontspannen? Op de fiets langs die majestueuze koningsbeelden. Lopend haal je het niet. Domweg te heet. Of je moet je laten brengen met een taxi. Te duur, te snel. Rustig pedalerend dus. Gegroet, gevolgd en toegeroepen door kinderen in de dorpjes. We zien Ramses en zijn vrouw al van verre staan. Alsof ze je daar in de verte staan op te wachten. Dat moet vroeger wat geweest zijn. Zeker bij de gedachte dat mensen toen de lengte hadden van een brugklasser. Wat een schaal! Koninklijk formaat. Daar worden we stil van. Onder de indruk, moe en dorstig komen we na een tijdje terug bij onze fiets. Lekke band. En ineens zijn daar allemaal jongetjes. Heej, die hadden we toch al eerder gezien? Of we soms een lekke band hebben? Nou, daar weten ze wel wat op! Toevallig kennen ze een fietsenmaker in het dorp verderop. Die wil onze band vast wel plakken. Opluchting alom. In optocht naar het dorp waar we worden onthaald bij een heel klein huisje. Dit is de fietsenmaker? Verwachtte hij ons soms al? Niet veel later fietsen we weer terug naar Luxor. Een paar pounds lichter. Foute handel of een aardige vorm van armoedebestrijding? In ieder geval leuker dan zomaar baksjiesh geven. Je moet tenslotte wel wat doen voor je geld! Tenminste, volgens onze opvattingen. Dat hebben die fietsenmaker en z’n familie toch maar goed begrepen!
Ergens aan de Rode Zee. Ineens vliegen de stenen ons om de oren. Daar liggen er daar nogal wat van. Maar ze gaan niet zomaar vliegen. We ontwaren opgeschoten jongens, jongetjes nog eigenlijk. We hebben ze nog niet eerder gezien, laat staan ontmoet. Blijkbaar vinden ze ons niet aardig. Of vinden ze dat wij hier niets te zoeken hebben. Of zijn ze bang voor ons. Of jaloers. Of… Weet ik veel. Wat kan mij het schelen, ze gooien stenen naar ons! En wij hebben geen zin om een steen voor onze kop te krijgen. Zomaar, om een reden die ik niet weet of van iemand die ik niet ken. Dan ontdekken we iets eigenaardigs. We hoeven geen steen terug te gooien om het te laten stoppen. We hoeven alleen maar zelf een steen op te pakken en in alles uit te drukken dat als het echt nodig is we ook echt zullen teruggooien. Dan is het klaar. Ze begrijpen dat het menens is. Misschien zijn we zometeen wel ‘big friends’.
In Karnak komen we een Nederlander tegen. Meneer De Jong. We ontmoeten hem in een opgraving. Midden op de dag, in de brandende zon. Daar staat hij op oude tempelvloer foto’s van reliëfs langs de wand te maken. Hij blijkt voorzitter te zijn van een Egyptologische vereniging in Nederland. Hij vertelt honderduit over zijn Egyptische belevenissen. Heeft echt hart voor de verloren oud-Egyptische cultuur. Hij is docent scheikunde en kan prachtig vertellen. Over de doodsangst van de oude Egyptenaren. De behoefte om het leven mee te nemen het graf in. Vandaar al die volgepropte graven. Waar wij weer plezier van hebben want daarom weten we zoveel van het oude Egypte. Hij neemt ons mee naar een restaurantje voor een ontmoeting met een sjeik. Die blijkt handelaar in gestolen waar te zijn. Tenminste, in onze ogen. Hij biedt allerlei oud-Egyptische stukken aan. Echt mooi spul volgens de voorzitter. Hoge kwaliteit. Niet van die rommel die ze je vaak proberen aan te smeren. Nee, museumkwaliteit. Heeft die sjeik zelf hier gevonden. Er ligt nog zoveel onder het woestijnzand. Goed dat iemand het eruit haalt. Dan realiseer ik me ineens hoe verschillend je ergens tegenaan kunt kijken. En allebei gelijk kunt hebben. Of ongelijk. Want wat heet gelijk? En wat is waar? Of gestolen waar? Of gevonden waar? Wie het weet mag het zeggen.
We zijn vier weken in Egypte. De laatste dag. De eerste weken zijn we afgezet. Tenminste, toen hebben we toeristenprijzen betaald. Tot we in Luxor kwamen. Daar begon het ons te dagen. Dat ging zo. We begrepen dat er twee pontjes waren over de Nijl. Een grote dure voor de toeristen, en iets verderop een kleine goedkope voor de Egyptenaren zelf. Wij naar de kleine. We hadden gehoord: dat kost tien dinar. Maar let op: ze vragen twintig. Wij naar de boot en geven ieder tien dinar. Een verbaasde blik, en toen een grote lach. Wij hebben het spel door… en zij worden niet boos. Sterker nog, ze vinden het leuk. Dat is nou een verschil tussen Nederlanders en Egyptenaren: ze kunnen er hartelijk om lachen als je ze door hebt. ‘Big friend!’

Nu zitten we in Caïro op een terrasje. Op ons tafeltje hebben we al onze souvenirs uitgestald. Een kleurrijk geheel. Net op de markt bij elkaar gescharreld. Allemaal Egyptische waar, eindeloos over onderhandeld. Dan komt er een stel jongens bij ons zitten. Bij voorbaat lachend: wat zullen die domme toeristen daar nou weer voor betaald hebben? Van elk ding vragen ze: ‘How much?’ En wij vertellen van elk cassettebandje, sjaaltje, tasje enzovoorts wat het ons - uiteindelijk - gekost heeft. Langzaam wordt het stiller. Ze kijken elkaar aan, kijken ons aan. Dan worden we hartelijk gefeliciteerd. ‘You paid Egyptian price!’ Dankbaar nemen we dit enorme compliment in ontvangst. Geslaagd voor ons inburgeringsexamen. We doen mee.
‘Ergert u niet, verbaast u slechts’ hoorde ik een keer van een vriendin. Die had het weer van haar oma. Het is niet moeilijk om je ergeren. Aan het weer, aan het verkeer, en vooral aan al die mensen om je heen. Aan alles wat anders gaat dan jij gedacht had of anders loopt dan jij wilt. Of aan al die mensen die iets anders willen of het anders doen dan jij. Dan ben je binnen de kortste keren geërgerd. Je ergert je suf aan alles en iedereen. Tenminste, ik wel. Ik vind het een stuk lastiger om me niet te ergeren. Te accepteren dat de dingen gaan zoals ze gaan, zaken lopen zoals ze lopen. Me over geven aan de gang van zaken, mee te gaan in de stroom.
Verbazing helpt me. Verbazing, en verwondering. Daar ga ik ook vragen van stellen. ‘Hoe zou dat toch komen, hoe zit dat in elkaar?’ En stuk vruchtbaarder merk ik. Het vraagt wel van me dat ik afstand neem. Want ergernis schiet erin, komt snel op. Voor verbazing heb ik meer tijd nodig. En ook rust. En enige afstand, distantie. Verbazing is leuk. In plaats van ruzie te maken ga ik in gesprek. Verwondering geeft ruimte in zo’n gesprek. Verwondering valt nooit aan. Verwondering omvat vanzelf respect. Maar verbazing en verwondering vragen bewustzijn en alertheid. In de gaten hebben dat ik me begin te ergeren. En daar dan om kunnen lachen. Wil je leren lachen om jezelf? Ga een maand op reis in Egypte. Als je kunt lachen om jezelf kun je ook lachen om het verschil tussen jou en de anderen. Dan blijkt de rijkdom van het leven juist te zitten in… het verschil.
Dit artikel verscheen onlangs in Werken met verschil, De waarde van diversiteit voor mensen en organisaties, een bundel onder redactie van Daan Limburg en Ilse Engwirda.

De beste manier om ongelukkig te worden is zoveel mogelijk verwachtingen te hebben. Want verwachtingen zijn ingebouwde teleurstellingen. Je kent het wel: ‘Ik had er toch wat anders van verwacht…’, ‘Het viel toch tegen…’ Teleurstelling gegarandeerd. Want het moet wel erg goed gaan of leuk worden wil het niet tegenvallen.
Maar leven zonder verwachtingen kan toch niet? Waarom niet? Neem nou het weer. En de weersverwachting. Stel de weersverwachting is ‘mooi weer’. Je stelt je er op in, je verheugt je erop. En dan wordt het minder mooi weer. Of helemaal geen mooi weer. Dan baal je. En je bent teleurgesteld. Dus baal je extra.
Andersom. Stel de weersverwachting is slecht. Dan baal je al tevoren. Bah, slecht weer op komst, helemaal geen zin in. Terwijl het helemaal nog geen slecht weer is. Je baalt dus al op voorhand. Je vergeet misschien wel te genieten van het mooie weer dat het ondertussen is omdat er slecht weer aankomt.
In beide gevallen schiet de verwachting dus niet op. Bij een goede weersverwachting raak je teleurgesteld als het tegenvalt, en bij een slechte weersverwachting ben je al op voorhand teleurgesteld. Met verwachtingen creëer je teleurstellingen. Onnodige teleurstellingen. En je doet het zelf.
Je kunt dit ook toepassen op je werk, je collega’s, je vrienden, je kinderen, je partner. Verwacht veel van ze… en je wordt doodongelukkig. Want zij voldoen niet aan jouw verwachtingen. Stel je voor dat iedereen de hele dag huizenhoge verwachtingen van jou zou hebben. Hoe zou dat voelen? Wat doet zo’n hypotheek met je?
Misschien heb je het als kind wel meegemaakt. Verwachtingen alom. Niet tegenop te leven! Het is niet goed en nooit genoeg. Het kan altijd beter, volgens die ander. En zo ga je leven naar andermans verwachting. Ga eens na bij jezelf. Laat je de mensen in jouw omgeving echt vrij? Mogen zij doen wat ze doen, zijn wie ze zijn?
Of heb je ongemerkt allerlei verwachtingen over hen? Vind je eigenlijk dat ze van alles zouden moeten doen of laten? En laat je dat misschien wel op allerlei subtiele manieren merken? Dan loop je de hele dag rond met allerlei verwachtingen over anderen. Maar jij gaat er niet over. Net zomin als over het weer. Daar ben je ook niet de baas over.
Direct toegegeven: leven zonder verwachtingen is zo ongeveer het allermoeilijkste! Het lukt me af en toe. Wat mij helpt bij het niet hebben van verwachtingen over andere mensen - bijvoorbeeld mijn kinderen - is weten hoe ik zelf blokkeer als anderen van alles van mij verwachten. Wat me ook helpt is de wetenschap dat ik niet de baas ben van anderen. Hoogstens van mezelf, en aan mezelf verwachtingen opleggen werkt evenmin.