
Eind jaren zeventig. Ojai, een zonnige vallei in het zuiden van Californië. Op een grasveld, onder oude eiken. Zo’n tweeduizend mensen luisteren ademloos naar een spiritueel leraar. Het is Jiddu Krishnamurti. Vrijheid is al jarenlang zijn thema. Innerlijke vrijheid, onvoorwaardelijk. Vrij zijn van leraren, rituelen en instituties. Dus ook vrij van hem: hij wil nadrukkelijk geen volgelingen.

Middenin de voordracht vraagt Krishnamurti ineens: ‘Wil je weten wat mijn geheim is?’ Mensen gaan op het puntje van hun stoel zitten. De grote leraar gaat zijn geheim vertellen! Hoe hij zo bewust en verlicht kan leven. Terwijl zij dagelijks worstelen, met zichzelf en de wereld. Zacht zegt hij: ‘Weet je, het maakt mij niet uit wat er gebeurt.’ En hij gaat verder waar hij gebleven was.

Het maakt mij niet uit wat er gebeurt… Nergens op uit zijn. Loskomen van je gerichtheid op uitkomsten. Loskomen van je eigen willetje. Loskomen van hoe jij denkt dat het moet gaan. Je overgeven aan wat er gebeurt. Je overgeven aan het leven. Er op vertrouwen dat het leven voor je zorgt. Vertrouwen op een goede afloop… die misschien heel anders is dan je ooit gedroomd of verwacht had.
Dan ben je vrij. Tenminste, zo zou ik me dan voelen.
(Met dank aan Joyce Schijf voor het verhaal over Krishnamurti, en Léonne Meiresonne voor ‘Nergens op uit zijn.’)

Pijnlijke tijden. Vooral voor de gevestigden. Voor iedereen die dacht het voor elkaar te hebben. Zoals: binnenkort met pensioen. Dat duurt ‘ineens’ een stuk langer. En: welk pensioen? Het kan ‘zomaar’ verdampen. Als organisatie heb je er een probleem (‘aandachtsgebied’) bij: de vijfenvijftigplusser die nog jaren ‘mee moet’.
Niet lang geleden werkte ik met operators op een energiecentrale. Een behoorlijk deel van hen werkte daar al meer dan dertig jaar. Bij de oplevering van het complex waren ze ingestroomd. Net klaar met hun technische opleiding. Trots op hun werk bij hun centrale. In ploegendiensten. Leuk werk met leuke toeslagen. Opgewekt wekten ze stroom op. Dat opgewekte ging er in de loop van de jaren wel wat van af. Automatisering en bezuinigingen betekenden steeds minder collega’s. Dus ook minder gezellig. Vooral ’s nachts. Maar het bleef hun werk op hun centrale.
Toen kwam de eerste uitstroom op gang. Collega’s die gebruik maakten van alle goudgerande regelingen die tot voor kort bestonden. ‘Ben je van voor of na 1-1-47?’ was de meest gestelde vraag. ‘Van daarvoor’ kon gaan vissen met z’n maten en gaan fietsen met z’n vrouw, ‘van daarna’ had pech en bleef boos achter. Die moesten ‘ineens’ nog heel lang. Veel langer dan waar ze op gerekend hadden. Maar de grootste schok moest nog komen. Dat waren hun nieuwe collega’s. Dertig jaar jonger. Goed opgeleid. En ambitieus.
Deze ‘jonkies’ bestonden het om na een week te zeggen: ‘Zo, nou wil ik wat anders doen!’ Stel je voor… Je hebt dertig jaar lang dag en nacht min of meer hetzelfde werk gedaan. Dan komt er iemand binnen die zich na een week begint te vervelen. Iemand met een hbo-opleiding, terwijl jij mbo-er bent. Die vanwege zijn leeftijd en ervaring de helft verdient wat jij verdient. Maar ondertussen wel twee keer zo snel werkt. Alleen al omdat hij alles veel eerder begrijpt dan jij. Ineens ben je oud, langzaam en duur.
Ondertussen zijn er veel mensen van in de vijftig en zestig die het juist goed doen. Die iets toevoegen. Die vanwege die waarde gevraagd en gewaardeerd worden. Wat aan hen opvalt is dat ze niet bezig zijn met machtsspelletjes. Ze zijn integer en toegankelijk. Je ziet jonge mensen naar hen toetrekken. Die voelen zich bij hen op hun gemak. De grijze haren zijn eerder vertrouwenwekkend dan indrukwekkend.
Deze senioren weten heel goed wat ze allemaal niet weten. Hun mobieltje vinden ze vaak al te ingewikkeld. Maar ze weten ook dat het daar uiteindelijk niet om gaat. Ze weten wat ze waard zijn. Ze kennen hun eigen waarde, ze hebben eigenwaarde. Het laatste wat ze doen is concurreren. Want ze weten dat ze daar veel te oud voor zijn. Wat ze wel kunnen is aansluiten, levelen. Deze mensen verdienen op een natuurlijke manier respect. Sterker nog, ze zijn in de ogen van jonge mensen zelfs cool.
Hoe ben je overduidelijk old school maar ondertussen toch alom gewaardeerd? Door te genieten van het aanstormend talent. Door niet bang voor ze te zijn. Je bent toch ook niet bang voor de ontwikkeling van je kinderen? Daar geniet je toch van? Het bestaansrecht van een senior wordt bepaald door zijn waarde voor een junior. Niet door de baas te spelen. Want dat lukt vroeg of laat toch niet meer. Praktisch? Heb je als senior de moed om elke junior in je omgeving de vraag te stellen: ‘Ben jij blij met mij?’ En: ‘Wat zou ik kunnen doen of laten waardoor jij blij van mij wordt?’
Goede kans je te horen krijgt: ‘Geef me de ruimte’, ‘Vertrouw me’, ‘Laat het mij op mijn manier doen’, ‘Zorg goed voor me’, ‘Wees niet bang’, ‘Luister naar me’, ‘Wees duidelijk’, ‘Wees eerlijk’, ‘Laat je waardering blijken’, ‘Vertel me vooral wat goed gaat’, ‘Wees doorzichtig’, ‘Hou niets achter’. Inderdaad, alle bekende antwoorden. Je weet het allang. En nu gewoon doen. Dan kun je nog jaren mee. Old School Rules!
De is de verkorte versie van een langer artikel dat verscheen in Tijdschrift voor Management Development, winter 2008.

Hoe eenvoudig kan het zijn? Bloem en water, tomatensaus, buffelmozzarella en verse basilicum. Dan heb je een Pizza Margherita. De oerpizza, ooit ontstaan in Napels. Het verhaal gaat dat Koningin Margaretha, de vrouw van Koning Umberto I, in 1889 daar terechtkwam omdat ze op de vlucht was voor de cholera. Ze wilde - net een Lonely Planet toerist - graag iets authentiek-lokaals eten. Raffaele Esposito maakte speciaal voor haar een pizza, het plaatselijke armeluis-eten, in de kleuren van de Italiaanse vlag: groen, wit en rood.
De Pizza Magherita is inmiddels de hele wereld over en heeft op vele plaatsen een aan de lokale smaak en stijl aangepast karakter gekregen. Op zich een studie waard. Van de dunne harde koek van onze Italiaan (overigens een Turk) om de hoek tot een uitbundig druipende slice op Manhattan. Een ding is zeker: de meeste van deze koninginnepizza’s hebben niet zoveel meer te maken met hun oorsprong onder de rook van de Vesuvius. Om erachter te komen hoe een echte Pizza Margherita smaakt moet je dus eigenlijk naar Napels. Best een dure pizza!
En toch dacht ik net aangekomen, op een zonnige zondagmiddag, middenin in Napels in het najaar, op een midden-op-straat-terrasje,: ‘Als ik nu direct weer terug zou moeten was het ook goed…’ Zo lekker was de pizza die M en ik min of meer blind besteld hadden bij de ober (die helemaal was zoals je hoopt maar niet verwacht: vijftigplus, plakhaar, zwart pak en vlinderdas). We zijn in Napels, dus we nemen pizza, en wel van hier. Een Pizza Margherita. Met tomaat, mozzarella en basilicum. De eenvoudigste pizza. En die was in een woord goddelijk.
‘Napels zien, en dan sterven…’ zei Goethe ooit. Ik zou zeggen: Dan eerst nog wel een Pizza Margherita graag. Want niet alleen het uitzicht over de stad met op de achtergrond die dreigende vulkaan is fantastisch. Dat geldt ook voor deze pizza, zo uit de oven op je bord. Het deeg kreeg de tijd om te rijzen. De bodem is met de hand gerold, gedraaid, gegooid. De houtoven loeit op zo’n vijfhonderd graden. Zo heet dat de pizza er maar heel kort in hoeft en alles vers blijft smaken. Met aandacht en liefde gemaakt. Dat proef je. Zo eenvoudig, en zo rijk.

‘Je vergeet de tijd hier,’ zegt de ene suppoost tegen de andere die zich juist excuseert dat hij haar te laat aflost. ‘Hier’ is een kleine pikdonkere zaal in het Rijksmuseum. Met een stralend middenpunt. For the Love of God. Een fonkelende schedel. Beter, schedeltje. Want het met duizenden diamanten bezette platina afgietsel van een echte menselijke schedel is veel kleiner dan ik dacht. Zo klein is een schedel dus.
En tegelijkertijd, hoe groot, nee groots is dit kunstwerk. Kunst, en werk. Kunst, want ik kan m’n ogen er niet van afhouden. Geloof m’n ogen niet, de schedel lijkt licht te geven. En werk, want wat moet het een werk geweest zijn om dit te maken. Niet alleen hard werken, maar ook bezield werken. Liefde voor de kunst, liefde voor het ambacht - van de kunstenaar en van de diamantair. Het straalt er vanaf.
Wat is dit mooi gedaan. Door hoe ze zijn ingelegd maken de diamanten prachtige patronen over de schedel. Een kleine verandering van de stand van je hoofd zorgt ogenblikkelijk voor een grote verandering van de schittering van de schedel. Door met je hoofd te bewegen of met je ogen te draaien gaat de schedel vol diamanten voor je ogen draaien en bewegen. Je blijft er naar kijken. Tenminste, ik wel.
‘Mij doet het niks hoor, mij doet het echt helemaal niks,’ hoor ik iemand steeds harder en nadrukkelijker zeggen. Nog iemand die blijft, maar niet om te kijken. Een mevrouw blijft om zich hoorbaar te ergeren. Ze staat tetterend naast bij de suppoost en blijft zich herhalen. Een andere mevrouw heeft de suppoost net gevraagd of Swarovski steentjes niet hetzelfde effect gehad zouden hebben. Lacherig, bozig ook.
Boeiend: ‘effect’. Zo kun je er naar kijken. Kritisch, afstandelijk. Erover denken. Praktisch, rationeel. Denken werkt niet in deze donkere kubus. Dan mis je de magie. Het is net zoiets als nadenken over al dat overdreven licht en donker van de schilderijen van Rembrandt, een zaal verderop. Wanneer je je aan For the Love of God durft over te geven is het overweldigend. En als je er vooringenomen naar kijkt is het kitsch.
Het is niet moeilijk om hier helemaal niks aan te vinden. Want dit zijn de koele kale feiten: een platina afgietsel van de schedel van een man die zo’n tweehonderd jaar geleden leefde en halverwege de dertig geworden is; bezet met 8601 diamanten plus een grote roze steen op het voorhoofd; neergezet in een glazen kubus op een zwarte voet en belicht door acht halogeen spotjes die in een kruis erboven vormen. Dat is alles.
Maar kom binnen. Op een zo rustig mogelijk moment*. De schedel straalt je tegemoet. Is letterlijk aantrekkelijk. Je buigt je voorover. Je ziet de steeds veranderende kleuren. Alle kleuren van de regenboog. Hypnotiserend. Elk plekje op de schedel is ingelegd, ook aan de binnenkant. Alles schittert. Overal diamanten, fonkelende sterren. En op het voorhoofd een gigantische steen, met kleinere stenen een, ja wat?, vormend. Om het af te maken.
En dan zie je dat de schedel helemaal niet symmetrisch is. En gek golft. Kleine deukjes heeft. Je ziet de echte tanden en kiezen. En dat ze schots en scheef staan. Je voelt de tegenstelling tussen de perfectie van het handwerk aan de schedel en de imperfectie van de schedel zelf. En dat is ontroerend. Want de schedel komt tot leven. En ineens besef je: dit was ooit een mens! De imperfectie maakt het ontroerend. En daarmee perfect.
Dan kijk je op. Boven de schedel zie je een gezicht zweven. Nog geen halve meter van je vandaan. Een andere bezoeker, achter twee dikke lagen hard glas. Een geest die lijkt op te stijgen uit de schedel. Bijna spookachtig. Of sprookjesachtig? De schittering van de diamanten zorgt voor kleine bewegende lichtvlekken op de gezichten en de kleding van iedereen die dichterbij komt. Wat het nog droomachtiger maakt. Magisch.
Terug op het Museumplein schijnt de lage zon pal in mijn ogen. Ik loop over de lichtlijn die daar ligt. Het metaal schittert in de zon. En in mijn ogen. Ik doe ze dicht en zie kleurige lichtjes dansen en bewegen. Net als net in het Rijksmuseum achter mij. Ik ben blij met de zon en het licht. En met Damien Hirst. Spelend als een kind, met licht en donker, leven en dood. Vol ijdelheid, en vol ontzag. For the Love of God.

*) Mocht je gaan kijken, probeer dan op maandag te gaan. Veel mensen denken dat het Rijksmuseum dan dicht is. Het kan je een uur wachten schelen in zo’n Disneyland-slinger door de zaal ervoor. En je hebt alle rust en tijd om met volle teugen te genieten.
Plus een zaal met de persoonlijke selectie van Damien Hirst uit de gigantische collectie van het Rijksmuseum. Veel dood en verderf, sex, geslemp en ander vertier. En een ontroerend kinderportretje. Met vaak raak en grappig commentaar op onze voorvaderen.
Tot 15 december, www.rijksmuseum.nl