
Een weekje naar de bergen. Daar had ik zin in. Ik ken een paar mensen in de bergen. Hans en Nel. Nou ja, kennen. Ik weet dat ze in de bergen wonen. En dat onze levensinstelling wel overeenkomt.
Hans en Nel zijn een paar jaar geleden De Berghut begonnen. Een gastvrij pension in de Oostenrijkse bergen. Omdat ze er zin in hadden en erin geloofden. Zij leven in het echt waar ik in mijn boeken over schrijf. Leven vanuit je passie, je eigen leven leiden.
Ik heb Hans en Nel voorgesteld wat op een ochtend bij mij opkwam: ik kom bij jullie logeren, en jullie gasten kunnen bij mij terecht voor een goed gesprek. Dat doen we lekker buiten, wandelend, van het uitzicht genietend. Hans en Nel begrepen het direct: iedereen blij. Ze willen me graag Wandelcoach noemen. Ik vind mezelf een Berg&Dal-Gids.
Want soms zit het mee, soms zit het tegen. Het leven gaat bergop en bergaf. Vaak niet makkelijk, maar wat zou het leven saai zijn zonder een bui of een storm op z’n tijd. En wat kun je groeien van tegenslag. Ga maar na in je eigen leven: waar je het meest tegenop zag blijkt achteraf vaak je grootste prestatie of rijkste ervaring.
Daarom in de eerste week van juni (28.05 - 04.06, inclusief Hemelvaart) in de Berghut: Wandelcoachweek met Berg&Dal-Gids André Meiresonne. Wordt leuk, en goed. Zinnig, en nog gezellig ook. Wie weet tot dan!

‘Paul, er gaat iets niet goed,’ zeg ik tegen mijn huisarts. Meestal word ik al beter door ’s morgens om kwart over acht in zijn stille wachtkamer te zitten. Dit keer niet. Ik voel me niet lekker in m’n hoofd. Teveel aan m’n kop? M’n hersens teveel gepijnigd? Ik blijk een te hoge onderdruk te hebben. We hebben het erover. Hoe kom je daaraan? En ineens begrijp ik het. Ik ben mezelf onder druk aan het zetten. En niet zo’n beetje. Ik heb het alleen niet in de gaten. Ik verwacht veel van mezelf, teveel. En denk dat anderen dat ook doen. Het is kwart voor negen.
De druk loopt op
Om negen uur begint de wekelijkse vrijdagochtendbespreking op het partijbureau. Door de kabinetscrisis moet het verkiezingsprogramma –waar we nog maanden voor dachten te hebben – binnen de kortste keren klaar zijn. Het is mijn taak om, net als een kleine vier jaar eerder, de inleiding te schrijven. Rode draad, het grote geheel. Dat doe ik niet alleen, daar werk je met z’n allen aan. Alleen al omdat iedereen daar wel iets van vindt. Zo’n inleiding wordt dan ook vanzelf behoorlijk omvangrijk. Dus er is ‘een inleiding van de inleiding’ nodig. Overstijgend en overtuigend. Helemaal iets voor mij, vindt iedereen. Dat weet ik al een week. Maar het komt er niet uit. Ik kom er niet uit. Geen idee wat er in moet komen. Wat valt er nog meer te zeggen? Het moet die dag wel klaar zijn. De tijd dringt, de druk loopt op. ‘Alle ogen zijn gericht op Kwatta.’ Zo voel ik me. Niet goed.
De druk valt weg
‘Voor we beginnen wil ik graag wat zeggen. Ik heb net iets ontdekt. Over de inleiding van de inleiding, en over mezelf. Ik kan het niet alleen. Ik heb jullie nodig.’ Verbazing, ongeloof. Hoezo? Wat bedoel je? ‘Echt. Ik kan dit niet alleen. Ik heb jullie nodig.’ Verwarring. Begin van ergernis. Kom joh, dat kun jij toch? ‘Ik meen het. Ik kan het echt niet alleen. Ik heb jullie hulp nodig.’ Dan zeggen de twee jongsten - slimme jongens, aanstormend talent - ‘We helpen je.’ We gaan naar de kelder. Onder de kloostermoppen praten we ruim een uur. ‘Bedankt jongens, ik ben eruit.’ De stroom komt op gang en ’s middags mail ik een paar honderd woorden rond. Onmiddellijk reacties. Mail, sms, telefoon. Niet gebruikelijk. Oprechte complimenten. Al helemaal niet gebruikelijk, zeker niet in de politiek.
Niets meer aan doen
De volgende ochtend is de grote afrondende bijeenkomst met alle direct betrokkenen bij het programma. Als dagopening lees ik het stuk voor. Doodse stilte. ‘Amen’ zegt iemand op het eind. ‘Wat ze ook zeggen, niets meer aan doen’ zegt een mediakanjer naast me. Middenin het verhaal staat de sleutelzin, waar ik me pas echt van bewust van word als de krant die – min of meer verbaasd – aanhaalt: ‘Geen mens kan zonder de ander. We hebben elkaar nodig’.
Ik weet het niet
De feministes in de jaren zestig zeiden ‘het persoonlijke is politiek’. Of ze ook bedoelden dat de oplossing van een persoonlijk probleem de kern van een gezamenlijke kijk op de samenleving blijkt te zijn weet ik niet. Wat ik wel weet is dat ik het vaak niet weet. Meestal eigenlijk niet. En als ik dat durf te erkennen kom ik eruit. Andersom, als ik niet kan toegeven dat ik het niet weet dan heb ik een probleem. En ik niet alleen, mijn omgeving ook. Want dan lever ik niet waar anderen op wachten. En van mij verwachten, net als ikzelf. Maar ik hoef het niet alleen te doen. Dat denk ik maar. Niet goed voor m’n gezondheid. Dodelijke gedachte.
Laat gaan
Uiteindelijk hebben we het over ego. Want het is m’n ego dat mij, en mijn omgeving, wil doen geloven dat ik alles weet en niet om hulp hoef te vragen. M’n ego heeft me ver gebracht – in een programmacommissie!, columnist bij een tijdschrift! – maar het zit me net zo goed in de weg. ‘Ikke, ikke, ikke…’ Daarnaast de beelden die ik blijkbaar over mezelf en het leven heb: ik moet alles kunnen, en ik mag anderen niet lastig vallen. Hoe verzin je het? Wie zegt dat? Hoe kun je jezelf in de weg zitten? Domweg oude patronen, met de nadruk op dom. Niet meer nodig. Afscheid van nemen. Laten gaan. Al doet dat zeer. Want het is ‘ik’. Maar wel m’n kleine ‘ik’. Het is m’n grote ‘IK’ die kan zeggen: ‘Ik kan het niet alleen. Ik heb jullie nodig.’
Hoe overleef ik mijn werkdag?
1. Je hoeft het niet te weten. Kinderpsycholoog Martine Delfos noemt dat: ‘Weten dat je het niet weet’. Dat geeft tijd. Wat een rust. Je voelt de ontspanning. Het is oké om het niet te weten. En dat te weten. Zonder een oordeel over je niet-weten. Het moeten valt van je af: ik hoef het niet te weten. Niet van mezelf, en niet van een ander. Evenmin hoeft een ander het te weten. Wat een ruimte.
2. Je hoeft het niet alleen te doen. Niemand kan het alleen. Er zijn anderen. En daarvoor geldt hetzelfde: die kunnen het ook niet alleen. Dat betekent dat je alleen verder komt als je het samen doet. Je kunt dat opvatten als op elkaar aangewezen zijn. Je kunt ook zeggen: je hebt de ander nodig, zoals de ander jou nodig heeft. We kunnen niet zonder elkaar. Durf de ander om hulp te vragen. En laat je verrassen door de hulptroepen die klaar staan. Tenminste, als je durft te erkennen dat je anderen nodig hebt.