Stel… Het leven heeft geen zin. Tenminste, in de zin van een hogere zin. Zo’n zin waar je zo graag in zou geloven. Het zoeken naar die zin brengt je op plekken waar het heldere denken je geen steun meer biedt. Je geest produceert onnavolgbare gedachten die je doen geloven dat ‘alles klopt’. Maar ze bieden je geen oplossingen wanneer het er op aan komt: bij tegenslag, als je ziek wordt of wanneer je dood gaat.

Stel… Gebeurtenissen hebben geen betekenis. Tenminste, betekenis in de zin van een groter verband: ‘Dat kan geen toeval zijn!’ Maar dat is het juist wel, gebeurtenissen zijn ‘random’. Het leven hangt van toeval aan elkaar. Betekenis zien is projectie: je wilt graag iets zien - bijvoorbeeld het goede, of juist het kwade - en je zult het ook zien. Maar ‘helaas, pindakaas’: je gelooft in een illusie.

Stel… Er bestaat geen god. Tenminste, er bestaat geen persoonlijk god. Zo’n god waarmee we zijn groot gebracht – thuis, op school, in de kerk. Er is geen opperwezen dat ons in de gaten houdt. Geen strenge vader die ons straft en beloont, en evenmin een heilige moeder die zich liefdevol over ons ontfermt. Er is geen hemel gevuld met lieflijke engelen, en geen hel onder leiding van een bloeddorstige duivel.

Maar… Als het leven geen zin heeft, je geen betekenis kunt verlenen aan wat er gebeurt, en er ook geen persoonlijke god is, wat maakt het leven dan nog de moeite waard? Hoe kun je nou leven zonder enig houvast?

Door te leven, voluit te leven. En er dan achter te komen wat werkelijk telt. Te ontdekken dat maar één ding het leven de moeite waard maakt: liefde. Liefde die groter is dan jezelf. Liefde die je doet groeien, die je optilt, die je vrij maakt. Liefde zonder voorwaarden. En misschien zou je dat ‘God’ kunnen noemen.

Daar gaat wel iets aan vooraf: niets meer willen, niets meer hoeven. ‘Uw wil geschiede…’ Volkomen overgave. Wat een ruimte, wat een rust.