
Ik ken een wijs iemand die nooit een crisis meemaakt. Niet omdat hij nooit iets meemaakt, integendeel. Maar hij noemt een crisis geen crisis. Volgens hem is dat gewoon het leven.
Zoals het mee kan zitten, zo zit het soms ook tegen. Zo gaat het leven nou eenmaal, op en neer. Voorspoed en tegenslag. Zoals je ook winst en verlies hebt, in een bedrijf of op de beurs.
Dat is alles. Je er niet tegen verzetten. Gewoon meebewegen met het leven. Eigenlijk is ie taoïst. Maar dat vindt ie onzin. Ook weer zo’n naampje.

Wat vind ik het lastig om te zeggen: ‘Ik zit ergens mee… Wil je me helpen?’ En wat een opluchting als ik dat toch doe.
En altijd word ik weer geholpen. Vaak wel anders dan ik dacht of wilde. Maar ik word geholpen. In ieder geval tot nu toe.
En niemand vind het raar. Sterker nog, ik merk dat mensen het fijn vinden – fijn dat ik mijn twijfels toon, en fijn om te helpen.

Eind september werd ons huwelijk volwassen: we waren 21 jaar getrouwd. Eenëntwintig (!) jaar lang, en lang niet altijd gelukkig. Maar ik ben wel gelukkig dat we nog steeds getrouwd zijn.
Dat zit zo. Mijn vrouw zegt tegen mij: ‘Ik ben jouw spiegel.’ Alleen al mij niet tegen die uitspraak verzetten is een hele klus - dat vergt heel wat bewustzijn. En dan nog al mijn verzet tegen de beelden die ik zie - in de spiegel die ze me voorhoudt. Wat ze me voorspiegelt, denk ik vaak in eerste instantie.
Misschien is liefde wel dat je degene die jou de spiegel voorhoudt niet vervloekt, maar dankt. Soms lukt me dat, maar vaak ook niet - domweg omdat die spiegel niet mijn zorgvuldig opgebouwde zelfbeeld toont. Dan verzet ik mij en ga ik volop in de weerstand.
Mijn vrouw ondertussen wil niets liever dan dat ik samenval met mezelf, met wie ik in wezen ben - en niet mijn zelfbeeld loop te spelen. Maar dat zelfbeeld is nou net waar ik aan gehecht ben - dat ken ik goed, want ik heb het zelf met veel moeite in elkaar gezet. Af en toe denk ik dat zij beter weet wie ik echt ben dan ik zelf.
In die 21 jaar ben ik me gaan realiseren dat ik in mijn relatie 1. in een lachspiegel kijk (en mezelf zie, maar er vaak zelf niet om kan lachen) en 2. met een schaduwgevecht bezig ben (en ik dacht aanvankelijk nog met de schaduw van m’n partner - maar wat blijkt? het is mijn eigen schaduw!).
Als je dat doorhebt hoef je ook niet naar een ander om daar hetzelfde spel mee te gaan spelen. Tenzij je van spelletjes houdt die nergens over gaan (behalve dan je eigen onvermogen om jezelf onder ogen te zien). Blijf dan vreemdgaan, ga door met scheiden.
Uiteindelijk gaat het natuurlijk om het vinden van balans en rust in jezelf. Een relatie kan je helpen die te vinden - als je naar je partner wilt luisteren tenminste. En ophoudt te denken dat het aan die ander ligt. Want je kijkt in de spiegel, en je vecht met je schaduw.

‘Paul, er gaat iets niet goed,’ zeg ik tegen mijn huisarts. Meestal word ik al beter door ’s morgens om kwart over acht in zijn stille wachtkamer te zitten. Dit keer niet. Ik voel me niet lekker in m’n hoofd. Teveel aan m’n kop? M’n hersens teveel gepijnigd? Ik blijk een te hoge onderdruk te hebben. We hebben het erover. Hoe kom je daaraan? En ineens begrijp ik het. Ik ben mezelf onder druk aan het zetten. En niet zo’n beetje. Ik heb het alleen niet in de gaten. Ik verwacht veel van mezelf, teveel. En denk dat anderen dat ook doen. Het is kwart voor negen.
De druk loopt op
Om negen uur begint de wekelijkse vrijdagochtendbespreking op het partijbureau. Door de kabinetscrisis moet het verkiezingsprogramma –waar we nog maanden voor dachten te hebben – binnen de kortste keren klaar zijn. Het is mijn taak om, net als een kleine vier jaar eerder, de inleiding te schrijven. Rode draad, het grote geheel. Dat doe ik niet alleen, daar werk je met z’n allen aan. Alleen al omdat iedereen daar wel iets van vindt. Zo’n inleiding wordt dan ook vanzelf behoorlijk omvangrijk. Dus er is ‘een inleiding van de inleiding’ nodig. Overstijgend en overtuigend. Helemaal iets voor mij, vindt iedereen. Dat weet ik al een week. Maar het komt er niet uit. Ik kom er niet uit. Geen idee wat er in moet komen. Wat valt er nog meer te zeggen? Het moet die dag wel klaar zijn. De tijd dringt, de druk loopt op. ‘Alle ogen zijn gericht op Kwatta.’ Zo voel ik me. Niet goed.
De druk valt weg
‘Voor we beginnen wil ik graag wat zeggen. Ik heb net iets ontdekt. Over de inleiding van de inleiding, en over mezelf. Ik kan het niet alleen. Ik heb jullie nodig.’ Verbazing, ongeloof. Hoezo? Wat bedoel je? ‘Echt. Ik kan dit niet alleen. Ik heb jullie nodig.’ Verwarring. Begin van ergernis. Kom joh, dat kun jij toch? ‘Ik meen het. Ik kan het echt niet alleen. Ik heb jullie hulp nodig.’ Dan zeggen de twee jongsten - slimme jongens, aanstormend talent - ‘We helpen je.’ We gaan naar de kelder. Onder de kloostermoppen praten we ruim een uur. ‘Bedankt jongens, ik ben eruit.’ De stroom komt op gang en ’s middags mail ik een paar honderd woorden rond. Onmiddellijk reacties. Mail, sms, telefoon. Niet gebruikelijk. Oprechte complimenten. Al helemaal niet gebruikelijk, zeker niet in de politiek.
Niets meer aan doen
De volgende ochtend is de grote afrondende bijeenkomst met alle direct betrokkenen bij het programma. Als dagopening lees ik het stuk voor. Doodse stilte. ‘Amen’ zegt iemand op het eind. ‘Wat ze ook zeggen, niets meer aan doen’ zegt een mediakanjer naast me. Middenin het verhaal staat de sleutelzin, waar ik me pas echt van bewust van word als de krant die – min of meer verbaasd – aanhaalt: ‘Geen mens kan zonder de ander. We hebben elkaar nodig’.
Ik weet het niet
De feministes in de jaren zestig zeiden ‘het persoonlijke is politiek’. Of ze ook bedoelden dat de oplossing van een persoonlijk probleem de kern van een gezamenlijke kijk op de samenleving blijkt te zijn weet ik niet. Wat ik wel weet is dat ik het vaak niet weet. Meestal eigenlijk niet. En als ik dat durf te erkennen kom ik eruit. Andersom, als ik niet kan toegeven dat ik het niet weet dan heb ik een probleem. En ik niet alleen, mijn omgeving ook. Want dan lever ik niet waar anderen op wachten. En van mij verwachten, net als ikzelf. Maar ik hoef het niet alleen te doen. Dat denk ik maar. Niet goed voor m’n gezondheid. Dodelijke gedachte.
Laat gaan
Uiteindelijk hebben we het over ego. Want het is m’n ego dat mij, en mijn omgeving, wil doen geloven dat ik alles weet en niet om hulp hoef te vragen. M’n ego heeft me ver gebracht – in een programmacommissie!, columnist bij een tijdschrift! – maar het zit me net zo goed in de weg. ‘Ikke, ikke, ikke…’ Daarnaast de beelden die ik blijkbaar over mezelf en het leven heb: ik moet alles kunnen, en ik mag anderen niet lastig vallen. Hoe verzin je het? Wie zegt dat? Hoe kun je jezelf in de weg zitten? Domweg oude patronen, met de nadruk op dom. Niet meer nodig. Afscheid van nemen. Laten gaan. Al doet dat zeer. Want het is ‘ik’. Maar wel m’n kleine ‘ik’. Het is m’n grote ‘IK’ die kan zeggen: ‘Ik kan het niet alleen. Ik heb jullie nodig.’
Hoe overleef ik mijn werkdag?
1. Je hoeft het niet te weten. Kinderpsycholoog Martine Delfos noemt dat: ‘Weten dat je het niet weet’. Dat geeft tijd. Wat een rust. Je voelt de ontspanning. Het is oké om het niet te weten. En dat te weten. Zonder een oordeel over je niet-weten. Het moeten valt van je af: ik hoef het niet te weten. Niet van mezelf, en niet van een ander. Evenmin hoeft een ander het te weten. Wat een ruimte.
2. Je hoeft het niet alleen te doen. Niemand kan het alleen. Er zijn anderen. En daarvoor geldt hetzelfde: die kunnen het ook niet alleen. Dat betekent dat je alleen verder komt als je het samen doet. Je kunt dat opvatten als op elkaar aangewezen zijn. Je kunt ook zeggen: je hebt de ander nodig, zoals de ander jou nodig heeft. We kunnen niet zonder elkaar. Durf de ander om hulp te vragen. En laat je verrassen door de hulptroepen die klaar staan. Tenminste, als je durft te erkennen dat je anderen nodig hebt.

Ik merk dat ik er voor een groot deel zelf verantwoordelijk voor ben of er vreugde in me opkomt of boosheid, onrust, ontevredenheid, teleurstelling over mezelf en de hele wereld. Maar ook als ik in het hier en nu ben, komt de vrede niet automatisch.
Het kan ook zijn dat ik door een grote triestheid word overvallen. Als ik die dan ook toelaat, is dat geen tegenstelling tot de vreugde maar alleen de keerzijde van de medaille. Ze hoort net zo bij het leven als de vreugde. Als ik de zaak dan grondig onderzoek, als ik naga waarheen de triestheid mij wil brengen, dan ontdek ik helemaal onderin het vermoeden van gedragen worden en geborgenheid. Dan voel ik de zwaarte van de triestheid en daaronder tegelijkertijd een stille vreugde. Ik ben met mezelf tevreden, ook met mijn onvervulde verlangens, ook met mijn eenzaamheid, ook met mijn onbegrepen zijn.
Anselm Grün, Benedictijner monnik

“Tell me the weight of a snowflake,” a coal-mouse asked a wild dove.
“Nothing more than nothing,” the dove answered.
“In that case I must tell you a marvelous story,” the coalmouse said.
“I sat on a branch of a fir, close to its trunk, when it began to snow-not heavily, not in a raging blizzard-no, just like in a dream, without any violence. Since I didn’t have anything better to do, I counted the snowflakes settling on the twigs and needles of my branch. Their number was exactly 3,471,952. When the 3,741,953rd dropped onto the branch-nothing more than nothing, as you say-the branch broke off.”
Having said that, the coal-mouse flew away.
The dove, since Noah’s time an authority on that matter, thought about the story for a while, and finally said to herself, “Perhaps there is only one person’s voice lacking for peace to come to the world.”
[Bron: Synchronicity, The Inner Path of Leadership, Joseph Jaworski and Betty S. Flowers]
November 1988 stond ik bij de Berlijnse Muur. Het was er donker en stil. Er ging een telefoon over, traag gerinkel. Als iemand me toen gezegd had: ‘Over een jaar staan hier mensen op te dansen,’ had ik het niet geloofd.
Een jaar later, 9 november 1989. Er stonden mensen op de muur. Uitgelaten, opgetogen. Het was voorbij. Genoeg mensen hadden er genoeg van. Genoeg kritische massa. Ik geloof daar wel in.
Waar heb jij genoeg van? Als er genoeg anderen zijn die er ook genoeg van hebben kan het voorbij zijn. Zomaar. En misschien ben jij wel die ene die nog nodig is.


Een paar jaar geleden hoorde ik schrijver en cabaretier Arjen Lubach een fragment uit zijn eerste roman voorlezen. Dat kan hij goed, hij heeft een mooie voorleesstem met zo’n Groningse klank erin.
Beroemd in het dierenpark
(…)
Ik ben ooit verdwaald in de vlindertuin van een dierenpark. Mijn moeder zei: ‘Niet te snel lopen. Het is hier nogal benauwd.’
Het was zomer. Ze droeg een rood hemd. Waar de bandjes van haar hemd zaten was haar huid wit. Daarnaast was het rood. Zowel mijn moeder als ik werden eerder rood dan bruin in de zomer en ons haar werd soms zo blond dat mensen dachten dat we albino’s waren.
Ik wilde wel rustig aan doen, maar ik wilde ook achter vlinders aanrennen. Toen ik een paar minuten achter een groen vlindertje aan had gerend, kon ik mijn moeder nergens meer vinden. Waar ik ook keek, hoeveel mensen ik ook zag, nergens zag ik mijn moeder. Het viel me op dat alle mensen op elkaar leken, behalve op mijn moeder.
De paden in de vlindertuin vormden een cirkel en ik denk dat ik het kwartier daarop die cirkel wel dertig keer rond ben gerend. Het was heet. Niet alleen in de overdekte vlindertuin, maar ook daarbuiten. Daardoor was het extra heet. Toen ik niet meer kon en begon te huilen pakte een oude vrouw mij bij de arm.
‘Jij bent zeker kwijt?’ vroeg ze. Ik ben niet kwijt, dacht ik. Ik ben er nog gewoon. Mijn moeder is kwijt.
‘Nee,’ zei ik. Ik probeerde los te komen. ‘Ik zoek mijn moeder.’
‘Loop maar mee,’ zei de oude vrouw. Ze nam me mee naar de ingang van het park. Bij de kassa moest ik bij een medewerkster op schoot zitten.
‘Wij gaan jouw moeder eens fijn oproepen,’ zei de medewerkster. ‘Ik heet Sandra. Hoe heet jij?’
‘Ben,’ zei ik. Ik kreeg cola van Sandra. En koekjes. En daarna weer cola. En een poster van een chimpansee. Die heeft nog jaren boven mijn bed gehangen.
‘Wil je het soms zelf doen?’ vroeg Sandra. Ze gaf me de microfoon. ‘Gewoon rustig praten als ik knik.’ Ze knikte.
‘Mama,’ zei ik. ‘Waar ben je?’ Ik hoorde mijn stem echoën in de uithoeken van het dierenpark. Overal, in elk restaurant, elk dierenverblijf, aquarium, terrarium en elke speeltuin hoorden mensen mij vragen: mama, waar ben je?
‘Mama,’ ging ik door. ‘Er zijn hier walrussen.’ Toen zette Sandra de microfoon uit.
‘Hou je van walrussen?’ vroeg ze.
‘Dat weet ik niet,’ zei ik. ‘Ik heb ze nog nooit gezien.’
Na vijf minuten kwam mijn moeder naar de ingang. Ze had gehuild en ze was nog roder dan ze al was geweest. Ze pakte me zo hard beet dat het een beetje pijn deed.
‘Ik ben komen rennen,’ zei ze hijgend. ‘Maar hier ben ik.’
Mijn wang plakte aan haar wang.
‘Hoorde je mijn stem?’ vroeg ik. ‘Ik moest in een microfoon praten.’
‘Iedereen hoorde jouw stem,’ hijgde mijn moeder. ‘Je bent nu beroemd!’
Ik schreef het ’s avonds in mijn schrift. Benjamin is beroemd in het dierenpark.
Arjen Lubach, Mensen die ik ken die mijn moeder hebben gekend. (Meulenhoff, 2006)
Grappig en ontroerend. Vanaf Sandra komt het allemaal goed. Arjen vertelde me later dat het autobiografisch is. Zo’n moeder gun je elk kind.

Ik heb de kerstvakantie gebruikt om naar buiten te gaan. Wandelen, wat is Nederland mooi. Okee, beauty is in the eye of the beholder. Kiekjes maken, als ik een plaatje zie. Idem. En filmpjes schieten, van wat ik ineens of zomaar zie. Idem idem.
En de tijd genomen om naar binnen te gaan. Op een rij gezet wat ik wel en niet meer wil. Het verschil tussen Hoe Het Hoort en Wat Werkelijk Wil. Ook ambitieus. Kwam mezelf tegen. En anderen.
Blijft je leven stromen, of verstijf je en verstar je? En hoe je uit zelfbescherming jezelf en de rest van de wereld voor de gek kunt houden - of probeert te houden. Wordt vervolgd.
‘Zelfbedrog is het immuunsysteem van de psyche.’ (Theo Maassen, Zonder pardon, 2009)

Ik moest met de trein naar Amsterdam. Juist op tijd kwam de zware metalen reeks voor het stationnetje van mijn geboorteplaats tot stilstand. Het stadje is zoo klein, dat het geknars van de remmen door alle inwoners gehoord werd, ook door mijn vader en mijn moeder. Nou is onze jongen al dertig jaar, zouden ze denken en elkaar daarbij aanzien, en nog dobbert hij als een stuk wrakhout op den oceaan des levens. Mijn vader is dominee en houdt van degelijke beeldspraak. Ja ouders, dacht ik nog even, terwijl ik over het eerste spoor stapte, zeg het gerust, als een stuk rottend hout beschouwt gij uw zoon, maar blind zijt gij voor het wonderbaarlijke licht, dat van zoo’n stuk rottend hout kan uitgaan.
Gevonden in de vijftig cent boeken-doos voor antiquariaat Damokles. De eerste regels op de eerste bladzij van Luchtspiegelingen van Belcampo. Je kunt niet trots genoeg zijn op je kinderen. Worden ze beter van. Oneindig trots.